geen gerelateerde objecten/artikelen gevonden.

Vos, Willy, over Hen(ny) Vos (1916-1996) en haarzelf (1917-heden)

Uit WikiDelft

Ga naar: navigatie, zoeken

Ik ben geboren in 1917.

Mijn vader was bij de Douane: afdeling accijnzen. Dus wij hebben nogal door het land gezworven. In Delft was in die tijd ook een kantoor voor accijnzen. Goederen bestemd voor het Westland en de industrieën van Delft, werden daar ingeklaard, hun eigen producten uitgeklaard.

In Delft woonden wij toen aan de Oostsingel. Ik heb Delft nog meegemaakt als stad zonder auto’s. In 1929 begon ik op de Gemeentelijke HBS aan de Mijnbouwstraat. Ik kon goed meekomen en vond het schoolleven niet vervelend. Mijn latere man, Henny Vos, kwam in dat zelfde jaar op de HBS. We zaten in dezelfde klas, maar pas in de 3e klas sprong de vonk over. Het klinkt wat overdreven, maar het was echt zo. Het was liefde op het eerste gezicht. Daaraan heeft ongetwijfeld meegewerkt dat Hen, zoals ik hem noemde, en ik samen de beste van de klas waren. Beiden waren wij goed in exacte vakken. Beiden zagen wij onze toekomst in een studie aan de Technische Hoogeschool (TH), zoals de TU toen heette.

Er was op de HBS in die tijd geen leerlingenvereniging. Hij was er wel geweest maar opgeheven na enige incidenten die de ouders kopschuw hadden gemaakt, waarschijnlijk het beste omschreven als “te volwassen gedrag”. Een groepje vierdeklassers, 4 jongens en 4 meisjes, waaronder Hen en ik, maar ook de zoon van onze leraar Engels (van Kranendonk, die later professor geworden is) hebben toen zelf een vereniging opgericht.

Willy (rechter rij, derde van achter) en Henny (tweede zittende rij van links, derde van voor) in klas 3a van de HBS, foto Edw. Jacobs, Sluisstraat 12 II Amsterdam



Of ik nog meer namen uit dat groepje weet? Nou, de zoon van professor Biezeno en de jongen Croockewit. Toen wij in de vijfde klas kwamen heeft dat groepje de DHBSV her-opgericht. Wie de voorzitter werd? Dat weet ik niet meer. Ik in ieder geval niet; dat kon in die tijd niet als meisje.

Wel herinner ik me heel goed de eerste uitvoering die de DHBSV gaf. Dat was in het Venduhuis aan de Voldersgracht. Daar zit nu een bioscoop in. De zoon van de eigenaar, Joop Spijker, hoorde ook tot ons groepje en had bij zijn vader gedaan gekregen dat we de ruimte beneden mochten gebruiken.

Daar was iets dat zich als toneel liet gebruiken. In het toneelstuk werd ook gezongen, en we hadden een piano gehuurd. Hen zou begeleiden. Bij het begin van het stuk moesten natuurlijk de zaallichten doven, maar toen we dat deden, ging alles uit en zaten we ineens in het pikkedonker. Gelukkig wist Joop met hulp van zijn vader, die boven de zaal woonde, de juiste belichting aan te krijgen zodat het toneelstuk tenslotte kon beginnen met een lichtje voor Hen op de piano.

Kijk, zoiets vergeet je niet.

Ook het volgende ligt nog vers in mijn geheugen.

Tot en met ons eindexamen zijn Hen en ik de besten van onze klas gebleven. Misschien lag het daaraan dat het volgende kon gebeuren. Het was een week voor het eindexamen en elke les werd gebruikt om ons daarop voor te bereiden. Wie schetst onze verbazing toen de directeur zelf, de heer Van Drooge, bij ons in de les verscheen en Toon van Kranendonk en mij vroeg om op zijn kamer te komen. Hij legde ons uit dat hij een oplossing had gevonden voor het probleem van Toon. Diens vader was benoemd tot hoogleraar Engels aan de Universiteit van Amsterdam. En daar zou hij de volgende week zijn inaugurele rede houden. Toon dreigde die te missen omdat wij eerst een belangrijk dictee hadden dat meetelde voor het eindcijfer. Nu had de school besloten een taxi voor hem te huren, zodat hij op tijd in Amsterdam kon zijn. “En Willy” zei hij tegen mij ”jij gaat mee om een cadeau namens de school aan te bieden. Ik zelf kan hier niet weg.” Ik heb toen gezegd: ”Mag Hen ook mee het cadeau aanbieden?” Toen zei hij: “Ja, de taxi is groot genoeg.” En zo is het gegaan. De aanbieding van het cadeau, maar vooral de taxi-rit, waren onvergetelijk.

Willy en Henny in 1934, foto familie Vos
Hen en ik slaagden allebei voor ons eindexamen. Dat was in 1934, midden in de crisistijd. Wij merkten daar zelf niet veel van omdat wij beiden aan de Technische Hoogeschool gingen studeren. Hen koos voor Civiele Techniek. Ik liet me inschrijven voor Technische Natuurkunde.

In 1936 ben ik daarmee gestopt. Niet dat ik de studie vervelend vond, ik stopte op advies van mijn moeder. Ik werkte dag en nacht. Ik sliep niet meer. En mijn moeder zag mij steeds magerder worden. Waarom ik zo werkte? Ik ben een perfectionist, heb altijd zo gewerkt. Moeder zei wel: “Zorg dat je je diploma’s hebt. Je mag niet helemaal afhankelijk worden van Hen.”

Dat deed ik dus. Ik haalde mijn LO-akte met aanvullende diploma’s slöjd (een toen populaire onderwijsmethode, die alzijdige ontwikkeling van het kind trachtte te bereiken door het te laten werken met klei, karton en hout), gymnastiek en handwerken. Tegelijk maakte ik mij ook bruikbaar als secretaresse door het halen van het diploma steno en typen.

Zo gewapend ging ik de arbeidsmarkt op.

Maar het was crisistijd en starters kwamen gewoon niet aan een baan. De Wethouder van Onderwijs in Delft zei dat hij geen werk had voor mij. Ik bood aan om als onbetaalde kwekeling te gaan werken. Hij zei: ”Nee, en al had ik een plaats, dan kreeg je hem niet.”

Toen ben ik naar Rotterdam gegaan.

De tramfabriek “Allan” wilde mij wel hebben voor 15 gulden per maand. Na 3 weken heb ik opgezegd. Bij het Gemeentelijk Electriciteitsbedrijf kon ik hetzelfde bedrag verdienen, maar dan per week. Ik kwam op de afdeling waar de nota’s werden gereed gemaakt. Ik heb daar carrière gemaakt. Alle rekeningen werden nog één voor één getypt. Er waren twee systemen in de handel om dat proces te automatiseren. Mijn baas zei:” Wil, ga twee maanden in Het Witte Huis zitten en test ze uit. Doe een wijk de eerste maand met het ene systeem en de maand daarop met het andere. Zeg mij in welk systeem je de meeste mogelijkheden ziet.” Dat heb ik gedaan. Mede dankzij mijn advies werd het, later zeer bekende, Hollerith-systeem ingevoerd. Ik heb het daar tot chef van de afdeling debiteuren gebracht. Toen Hen in 1941 afgestudeerd was kreeg hij een baan bij de Dienst Zuiderzeewerken in Den Haag. Daar verdiende hij minder dan ik.

Hen en ik “gingen” met elkaar, zoals dat toen heette.

In de latere dertiger jaren maakten we ’s zomers grote fietstochten samen. Dan gingen we naar het buitenland, België vaak. Alles ging heel keurig. We sliepen in jeugdherbergen, waar in die tijd jongens en meisjes strikt gescheiden sliepen. In 1939 hadden we het plan opgevat om naar Luxemburg te fietsen. De politieke situatie was gespannen, dat wisten we. De vader van Henny had er op gestaan dat wij in Luxemburg naar het postkantoor zouden gaan om te kijken of daar “poste-restante”-brieven voor ons lagen. Dat was op zichzelf niets bijzonders: wij spraken altijd zulke dingen af.

Eind Juli 1939 gingen wij op pad.

Wij fietsten door de Kempen en de Ardennen, naar de Belgisch-Duitse grens om langs die grens en de Luxemburgse grensrivier de Sauer, naar Luxemburg stad te fietsen. Langs de Duitse kant zagen wij veel Duitse jongens die met ontbloot bovenlijf bezig waren kazematten te bouwen. De jeugdherberg van Luxemburg lag een eind buiten de stad. Wij gingen eerst naar het postkantoor. Daar lag een telegram van mijn schoonvader:”Bel mij. Kom onmiddelijk naar Nederland.” Door de telefoon vertelde hij ons dat onmiddelijk oorlogsgevaar dreigde. Wij moesten proberen nog een trein richting Nederland te vinden voordat de grenzen zouden sluiten. Op het station bleek er nog één trein te gaan: een nachttrein van Zwitserland naar de Belgische kust. Het lukte ons om plaatsen voor ons en onze fietsen te krijgen. Om 4 uur ’s morgen vertrokken we. In Antwerpen stapten we uit. Wij fietsten naar de Nederlandsche grens. Toen we veilig in Brabant zaten, besloten wij om nog iets aan onze vakantiedagen te hebben, een dag of wat Brabant te bekijken en dan naar huis te gaan. Zo kwam het dat wij, na een overnachting in een jeugdherberg ergens bij een molen op ons spiritus-stel eitjes zaten te bakken, de molenaar op ons afkwam en zei: ”Jullie moeten onmiddellijk naar huis gaan. De Mobilisatie is afgekondigd.” Thuisgekomen vond ik een dringende oproep van het GEB. Er waren 3 jongens van de typekamer opgeroepen. Ik moest me onmiddellijk melden. Toch ben ik eerst met Hen meegegaan. Ik moest weten waar hij op moest komen. Hen’s bestemming bleek Schoonhoven te zijn. Alle civiele studenten werden daar heen gestuurd. Later bleek dat dit het werk was van de Garnizoenscommandant van Rotterdam, Kolonel Scharroo, zelf een genie-officier die zijn opleiding aan de TH had genoten. Hij hoopte dat het de studenten op deze manier mogelijk zou zijn toch nog iets aan hun studie te doen. Deze episode is beschreven in “ De lange weg naar de Technische Universiteit Delft”, deel I pag. 63 t/m 65. Daar kwam in de praktijk weinig van terecht. Ik heb Hen daar regelmatig op zondag bezocht. Schoonhoven lag waar de Lek en de Waterlinie elkaar raakten. Ik herinner mij het uitzicht over die watervlakte heel goed. Om onafhankelijk te kunnen zijn ben ik autorijlessen gaan nemen en heb zelf een auto gekocht. De jongens hadden op zondag in Schoonhoven niets te doen, en hingen wat voor de kazerne. Als ik dan met mijn autotootje en mijn schoonzusje van 18 naast mij, arriveerde hadden wij onmiddellijk hun warme belangstelling. Onder veel gefluit en geroep probeerden wij Hen te vinden. Was Hen gevonden dan keerde de rust in Schoonhoven weer.

Eind Januari 1940 werd de TH-compagnie gevormd. Kolonel Scharroo had bij het Ministerie van Defensie weten te bereiken dat de studenten civiele techniek, die voorbestemd waren om reserve-genieofficier te worden, zouden worden geplaatst in een speciale trainingscompagnie die in Delft zou worden gelegerd. Hen behoorde tot die gelukkigen. De compagnie werd gelegerd op de zolder van het gebouw Weg-en Waterbouw aan het Westplantsoen. Commandant werd kapitein van der Zee, in het dagelijks leven inspecteur bij de gemeentepolitie van Delft. Ik heb in mijn bezit een gedeelte van een “Rapport over de bestaande toestand betreffende de studiemogelijkheid voor gemobiliseerde studenten van de T-compagnie te Delft”. Dat gaf mij een beeld hoe Hen toen de dag doorbracht:

Reveille 6.30 uur Ontbijt 7.30 uur Exerceren 8.15-8.40 uur Colleges 9-12 uur Verplichte Colleges of studie in het gebouw 13-17 uur Warm eten 17.30 uur Appel voor de bedden 19 uur Verplichte studie 19-21.30 uur Appel 22 uur Zaterdag appel om 13 uur, waarna vrij tot zondagavond 23 uur.

Ondanks het feit dat de compagnie was gelegerd in het gebouw waar ook de lessen werden gegeven, waren er toch nog veel praktische problemen. Studeren met 20-30 man in een leslokaal viel niet mee. En de tekenlokalen van Weg-en Waterbouw werden overdag gebruikt door de niet gemobiliseerde studenten, zodat de anderen pas in de avonduren terecht konden. Het Rapport stelde daarom voor het avondappel één à twee uur later te maken. Ik weet niet of dat ooit gebeurd is. Wel weet ik dat de militaire opleiding er op neer kwam dat de studenten in uniform konden exerceren met over hun schouder een karabijn, waarmee zij op 10 Mei 1940 nog nooit geschoten hadden.

In de vroege morgen van 10 Mei werd het vliegveld Ypenburg bezet door Duitse parachutisten en de troepen uit in en om de Rijksweg gelande Junkers transportvliegtuigen. De TH Compagnie kreeg orders om zich naar de trambrug (Reineveldbrug) te begeven. Daar troffen ze kapitein van der Zee. De compagnie werd door hem opgedeeld. Hen’s taak was om met 4 anderen de brug te bewaken en iedereen die over de brug wilde het woord “Scheveningen” te laten zeggen. Er kwam een melkrijder met zijn wagen vol melkbussen. Hij bleek het woord : “Scheveningen” goed te kunnen uitspreken. Hen vroeg hem of hij ook op de Delfgauwseweg kwam. Dat bleek het geval. Hen heeft hem toen een briefje voor zijn ouders meegegeven waarin hij geschreven heeft dat hij nog leefde. Het briefje heeft zijn moeder bereikt. Zijn vader niet; die was bij de luchtwachtdienst. Maar er kwam ook een klein busje: barstensvol met heel jonge Duitse krijgsgevangenen. Die moesten ze naar de Mauritskazerne aan de Paardenmarkt brengen. Vijf Nederlandse soldaten met karabijnen, waarmee ze nog nooit geschoten hadden, moesten 15 goed bewapende Duitsers bewaken. Ze bleken nog niet ontwapend te zijn. Dat is toen snel op de kazerne gebeurd. Hen vertelde later dat ze heel erg jong waren en niet veel meer wisten dan dat ze Den Haag in moesten trekken en de Koningin gevangen nemen. Omdat Denemarken zich in April zonder slag of stoot had overgegeven, hadden de Duitsers een militaire wandeling verwacht. Op 12 Mei kwam de order van Kolonel Scharroo dat de TH-compagnie uit de strijd werd genomen. Hen is toen in de Mauritskazerne gebleven tot hij door de Duitsers krijgsgevangen werd genomen. Bij de TH-compagnie is één soldaat omgekomen. Hij was door een groepje Duitsers dat vluchtte in een aangehouden taxi, mee naar Ypenburg genomen, waar hij in een hangar werd opgesloten. Tijdens de herovering van Ypenburg door de Nederlandse troepen is de hangar in brand geschoten en is deze jongen omgekomen.

Zelf ben ik op 10 Mei onmiddellijk naar het GEB gegaan. Daar werd het kantoorpersoneel direct weer naar huis gestuurd: het gebouw lag veel te dicht bij de frontlijn. De oorlog bracht ik door bij mijn ouders, die in Rotterdam West aan de Schonebergerweg woonden. Ik had een autootje, dat voor de deur stond. Mijn vader had ons opgedragen om alle kleine zaken die per se niet verloren mochten gaan in de auto te laden. In de straat waren enige Nederlandse militairen. Ze waarschuwden de bewoners wanneer er Duitse vliegtuigen in aantocht waren. Wij gingen dan onder de trap zitten. Op 14 Mei riepen ze: ”Wegwezen, ze komen eraan.” Wij zijn onmiddellijk in de auto gaan zitten en weggereden naar de rand van de stad. De eerste nacht hebben we daar bij mensen geslapen omdat Rotterdam in brand stond. Toen we later gingen kijken hoe het met ons huis gegaan was, bleek hoe goed het was geweest dat we direct weggereden waren: ons huis stond er niet meer.

Direct na de capitulatie liet de GEB bussen rijden door de ongeschonden wijken van de stad. Ik reed mee in één van die bussen. We riepen overal door de luidsprekers:”Schenk wat U kwijt kunt voor de mensen die niets meer hebben”. Er werd zeer ruim gegeven. In de volgende nacht hebben de Duitsers de bussen gestolen en zijn ermee naar Duitsland gereden: oorlogsbuit.

De dag daarop heb ik geprobeerd met mijn autootje naar Delft te komen. Op de Rijksweg trof ik vliegtuigwrakken, dode koeien, bomkraters aan en....ramptoeristen. De hoeveelheid ramptoeristen maakte het uitgesloten dat ik via de Rijksweg Delft zou kunnen bereiken. Via landweggetjes is het mij uiteindelijk gelukt over Berkel-Rodenrijs de Delfgauwseweg te bereiken.

Tot mijn vreugde voegde Hen zich daar twee dagen later bij ons. Hij was door de Duitsers meegenomen naar Rotterdam en daar als krijgsgevangene opgesloten in een geïmproviseerde opvang: een afgezet gedeelte van “Het Park”, dat grote park tussen de Maas en de Westzeedijk. Daar heeft hij met de hele TH-compagnie drie nachten doorgebracht, bewaakt door Duitse schildwachten. Halverwege de derde dag bleek dat er geen schildwachten meer om het terrein stonden. Toen zijn ze er maar uitgegaan en naar huis gelopen. (elders gelezen dat Kolonel Scharroo bij het Duitse gezag bereikt had dat de TH-compagnie niet meer als militair behoefde te worden beschouwd. De Duitsers hadden hiervan geen mededeling aan de studenten gedaan, maar alleen de schildwachten weggehaald).

In 1941 studeerde Hen af bij Professor Schermerhorn. Die had tijdens Hen’s studententijd bemerkt dat Hen over grote sociale vaardigheden beschikte. Zo iemand kon hij goed gebruiken bij de Dienst Zuiderzeewerken. Hij bood Hen een baan aan. Voor Hen betekende het dat hij werk had en nog wel werk dat maakte dat hij onmisbaar werd verklaard. Hij hoefde niet naar Duitsland. Wij besloten daarom te trouwen.

Verlovingsfoto, foto familie Vos

Trouwen in 1943 was geen sinecure. Daar had je bijvoorbeeld bonnen voor nodig om de spullen die nodig waren voor een huwelijk mee te kopen. Toen hadden we een geluk bij het ongeluk van een ander. Een jongen had alles al toen zijn bruiloft niet door ging. Wij hebben toen alle bonnen van hem gekocht en daarmee onze hele uitzet aangeschaft.

Op 20 Augustus 1944 werd onze eerste zoon geboren. Wij woonden toen in Rijswijk. Babyvoeding was vrijwel niet te krijgen, daarom heb ik hem toen een vol jaar de borst gegeven.

Na de oorlog was er bij de Dienst Zuiderzeewerken genoeg te doen.

Maar wij wilden voordat er meer kinderen kwamen iets van de wereld zien. Bij het Gouvernement van Suriname zocht men een jonge ingenieur. Hen en ik hadden er onmiddellijk zin in. Zo ging het ook toen. Wij zijn voor 5 jaar naar Suriname vertrokken. Hen heeft in Paramaribo de tijd van zijn leven gehad. Daar viel voor een jong ingenieur zoveel boeiend werk te doen. Hij heeft zich daar met hart en ziel in gestort en met veel succes.

April 1951 gingen we terug naar Nederland, werken bij de gemeente Delft. Er was nog steeds woningnood. De gemeente kon haar ambtenaren geen voorrang verlenen voor een huis, behalve in bijzondere gevallen. De gemeente kon ons dus niet aan een huis helpen. Gelukkig heeft Professor van Heel ons toen geholpen. Hij ging voor 3 maanden naar de Verenigde Staten en vond het goed dat wij die tijd in zijn huis aan de Prins Bernhardlaan kwamen wonen. Daarna verbleven we in het huis van zijn buurman Roes, die naar het Gooi was vertrokken. In dat huis mochten wij blijven zolang het huis niet verkocht was. Wij hebben daar een jaar gewoond. Toen het huis uiteindelijk verkocht werd en wij op straat dreigden te komen, heeft Hen tegen de wethouder gezegd dat hij ging solliciteren. Dat was geen loos gebaar. Hen was net door de Provincie Noord Holland uitgenodigd om daar te komen werken. Daarop heeft de wethouder van Delft hem een huis aangeboden in de Soendastraat. De gemeentesecretaris van Delft, Mr. Pfaff, was in dezelfde functie in Haarlem benoemd. Zijn huis werd toen aan ons toegewezen. Wij hebben er tot 1976 met zeer veel plezier gewoond.

Toen tijdens de watersnoodramp van 1953 de eerste berichten over het overstroomde eiland Goeree-Overflakkee Delft bereikten, zei Hen: “Ik wil er naar toe”. Daar kon hij met zijn waterbouwkundige kennis goed helpen. Hij is op het eiland een half jaar aan het werk geweest met goedkeuring van de gemeente Delft. Ik heb nog steeds een film van het ondergelopen eiland, die Hen gemaakt heeft, vastgesjord aan het onderstel van een helikopter. Hen heeft die film gemaakt op het moment dat de gehele bevolking van Goeree-Overflakkee was geëvacueerd. De situatie van dat moment moest worden vastgelegd en dat heeft hij gedaan. Bij mij hangt nog een grote antieke kaart van het eiland. Die is hem aangeboden door de Dijkgraaf van het Waterschap Goeree-Overflakkee. Op de achterkant staat zijn dankbetuiging aan Hen voor wat hij voor het eiland en zijn bewoners gedaan heeft.

Hen heeft verder niet alleen voor Delft gewerkt. Professor Eysvogel uit Wageningen was door het Surinaamse Gouvernement uitgenodigd om het Brokopondoplan te realiseren. Dat plan hield in dat in de rivier een stuwdam met waterkrachtcentrale zou worden gebouwd om de benodigde stroom op te wekken voor de aluminiumfabriek, die het in Suriname gevonden erts zou gaan verwerken.

Prof. Eysvogel nodigde Hen vanwege zijn Suriname-ervaring uit om hem daarbij te helpen. Gelukkig waren de directeur Gemeentewerken , ir. de Klerk, en het Delftsche gemeentebestuur soepel in die dingen. Hen is twee jaar, telkens voor 2 tot 3 maanden, met Prof. Eysvogel mee naar Suriname geweest.

Willy en Henny Vos, foto familie Vos


Hen heeft het in Delft gebracht tot Hoofd Bouwkunde en waarnemend Directeur Gemeentewerken. Het spraakmakendste werk dat de Dienst in die tijd onderhanden had was de voorbereiding van de bouw van het spoorwegviaduct. Dat was dringend nodig. Het treinverkeer op het baanvak tussen Den Haag en Rotterdam was zo intensief geworden dat de overwegen binnen Delft meer dan 20% van de tijd dicht waren.

Het was een project waar we nu, 2011, de gecompliceerdheid goed van kunnen begrijpen: het water langs de Phoenixstraat moest verdwijnen, de sporen moesten worden verplaatst, tijdelijke wegen aangelegd, en het viaduct gebouwd, zonder dat het verkeer mocht worden onderbroken. Hen heeft met veel plezier en intensief daaraan gewerkt.. Een exemplaar van het volledige bestek ligt nog bij mij thuis. In 1962 begon de feitelijke bouw. Die heeft tot 1965 geduurd, maar daar was Hen niet meer bij.

Dat zat zo: de directeur van Gemeentewerken in Delft, ir. de Klerk, ging met pensioen. Hij had al vaak gezegd: “Hen, jij moet mij opvolgen”. Hen heeft ook naar de functie gesolliciteerd, maar het College van Burgemeester en Wethouders plaatste hem als nummer twee op de voordracht. Het was in die tijd gebruik dat de grootste twee politieke partijen bij de benoemingen van diensthoofden bij toerbuurt een kandidaat van hun politieke kleur op plaats 1 mochten zetten. De christelijke groepering was net toen aan de beurt. Hen was partijloos omdat hij vond dat het hem als ambtenaar niet paste om partij te kiezen. Het College legde dus de volgende voordracht aan de Gemeenteraad voor: (1) Ir. Knol, (2) Ir. Vos. Toen Hen dat hoorde heeft hij zich teruggetrokken. De Raad kreeg daarop een enkelvoudige voordracht. De PvdA-fractie was ontzet en zei na afloop: “Waarom heeft U zich teruggetrokken? Als we geweten hadden dat U ook kandidaat was, hadden wij op U gestemd. Wij wilden U als jonge Directeur.”

Maar goed, Delft werd het dus niet.

Een paar maanden later kwam de positie van Directeur Gemeentewerken in Leiden vacant.

Hen solliciteerde en werd benoemd.. Ook in Leiden heerste woningnood. Men beloofde een huis, maar had er geen. Noodgedwongen bleven wij in de Soendastraat wonen, en Hen reisde dagelijks heen en weer, samen met onze tweede zoon die daar zich al op school had ingeschreven, in de hoop dat we een huis in Leiden kregen. In Delft groeide ons gezin op en het huis in de Soendastraat werd te klein en te vol. Toen gingen de Amsterdamsche en Rotterdamsche bank fuseren in Delft. Het pand van de Rotterdamsche Bank aan de Oude Delft kwam leeg. De architect, Ir. Raue, had de opdracht om het pand aan de Oude Delft te verkopen voor een vaste prijs, waarover absoluut niet onderhandeld kon worden. Het pand was niet als woonhuis geschikt tenzij intensief verbouwd en had als gebouw veel achterstallig onderhoud.. Na twee jaar op de markt was het huis nog altijd niet verkocht. Toen heeft Hen een bod op het huis gedaan en hebben we het gekregen. Wij hebben vervolgens zelf het pand weer in goede staat gebracht. Het heeft jaren geduurd, maar zo was het voor ons te doen. Hen had twee rechterhanden en zelf heb ik ook gigantisch mee gewerkt. Tot op vandaag woon ik nog in dat huis. De tralieramen aan de voorzijde wijzen nog steeds op de oorspronkelijke functie van het huis als bank.

Hen is ook in zijn Leidse tijd steeds actief gebleven in Delft.

Hen met een door hem gerestaureerde schedel, foto familie Vos

Hij was altijd al geïnteresseerd geweest in bodemvondsten en had zichzelf ontwikkeld tot amateur-archeoloog. Als bestuurslid van Delfia Batavorum was hij betrokken bij de archeologische opgravingen: meestal in het voortraject van gemeentelijke openbare nieuwbouw ontgravingen. Het grote probleem was om te proberen de daarbij gevonden voorwerpen in Delft te behouden.

Maar waar moesten ze blijven?

De directeur van Het Prinsenhof was toen niet geïnteresseerd en ook de gemeente had geen belangstelling voor Middeleeuwse bodemschatten. De Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) te Amersfoort stelde zich op het standpunt dat dergelijke bodemvondsten naar Amersfoort moesten, waar deskundigheid aanwezig was om ze te beoordelen en te conserveren. Alleen die gemeenten die een stadsarcheoloog in dienst hadden genomen, mochten hun bodemvondsten zelf behouden en onderzoeken. En Delft meende geen stadsarcheoloog te kunnen betalen. Iedereen werkte tegen. Dus zouden de bodemschatten naar Amersfoort moeten gaan, maar ook daar was geen plaats.

Het probleem werd nijpend toen het Oude en Nieuwe Gasthuis aan de Westlandseweg nieuw ging bouwen. Hen en Ir. Raue vonden op de nieuwbouwplaats interessante restanten van middeleeuwse bebouwing, waarvoor zij hulp van Amersfoort inriepen. Amersfoort had geen kennis van gebouwen in deze omgeving maar stuurde Dr. Renaud voor oriëntatie. Uit de samenwerking van die drie kwam de conclusie voort, dat hier een Karthuizerklooster had gelegen. Hen was gefascineerd. Hij is voor dit onderzoek zelfs op eigen kosten naar het moederklooster in Grenoble gereisd om de voor het klooster standaard lay-out en oriënteringen zo precies mogelijk te kunnen vaststellen. En passant ontwikkelde hij zich tot Karthuizerklooster specialist en heeft op de bekende internationale archeologische Chateau Gaillard-conferenties daar nog voordrachten over gegeven. Een boekje hiervan is in mijn bezit.

Aangezien Hen met de hulp van de Dienst Gemeentewerken vaak vroeg op de hoogte was van graafactiviteiten, gaf dit wrijving met privé-archeologen en semi-particuliere initiatieven. Hen interesseerde de historische achtergrond minder. Zij verkochten graag de mooiste vondsten op de open markt. Kopers waren niet alleen particulieren, maar ook musea die het geldgebrek van Delft graag benutten om Middeleeuwse bodemschatten te vergaren. Zo is er veel naar Museum Boymans in Rotterdam gegaan en deskundig bewaard gebleven.

Door het bovengenoemde plaatsgebrek bij officiële instanties in Delft en Amersfoort, werden de bodemvondsten op verschillende plaatsen in Delft ondergebracht: meestal nadat ze enkele weken bij ons voor schoonmaak en restauratie bijna het hele huis aan de Soendastraat in beslag hadden genomen. Een gedeelte ging ook tijdelijk naar Leiden in de Lakenhal, waar Hen met de directie een overeenkomst had voor opslag, totdat er in Delft voldoende plaats gevonden was.

Na hevige druk van de ROB bij de Gemeente Delft kon tot de aanstelling van een Stadsarcheoloog besloten worden, waardoor de vondsten terug naar Delft kwamen. Na een korte ongelukkige startperiode met Jeroen Kistemaker werd Epko Bult de eerste Stadsarcheoloog met vaste aanstelling: eerst voor part-time, later full-time. Hen was toen inmiddels met pensioen in Leiden (1981) en was Officier in de Orde van Oranje Nassau geworden voor zijn activiteiten als ambtenaar in Delft en Leiden. Onder leiding van en in voortreffelijke samenwerking met Epko Bult heeft Hen de archeologie in Delft een erkende plaats gegeven. Zelfs na zijn vertrek naar Leiden in 1962 bleef Hen actief in diverse functies in Delft (Delfia Batavorum, Tanthof etc.) en zo ook intensief betrokken bij de Delftse archeologie. Voor al deze activiteiten in Delft, heeft hij het Ereburgerschap van de Stad Delft gekregen in 1996. Een verslag van de uitreiking van de hand van de voorzitter van Delfia Batavorum, dr. Arnold M. Verschuijl, voeg ik als bijlage aan dit stuk toe.

Zelf ben ik in Delft en later ook landelijk zeer actief geweest: vooral op het terrein van de vrouwenemancipatie en het wonen. In 2009 heeft één van mijn zoons een Curriculum Vitae van mij opgesteld. Dat wil ik als bijlage aan dit stuk toevoegen.

Mijn kernactiviteit was mijn lidmaatschap sinds 1959 van de Vrouwen Advies Commissie voor de Woningbouw (VAC). Deze van Rijkswege ingestelde commissie had tot taak alle sociale woningbouwplannen te beoordelen op praktische bruikbaarheid voor de huisvrouw. Ik heb dit werk bijna 30 jaar met immens plezier gedaan en heb het tot voorzitter van het dagelijks Bestuur van de landelijke VAC gebracht. In 1978, na 8 jaar als voorzitter, heb ik de hoogste koninklijke onderscheiding voor vrijwilligerswerk gekregen: de eremedaille, behorende tot de Orde van Oranje Nassau in Goud.

Als men mijn CV bekijkt dan valt het op dat de VAC kan worden beschouwd als “de moeder van al mijn vrijwilligersactiviteiten”.

Willy Vos-de Koning, foto familie Vos

Zo ben ik van 1966 tot 1992 actief geweest in de Nederlandsche Vereeniging van Huisvrouwen / Nederlandsche Vrouwen Raad.

Ik was actief bij de oprichting van de Vereeniging Eigen Huis, ben er 6 jaar Bestuurslid van geweest en in 1987 Erelid geworden.

Binnen de historische vereniging Delfia Batavorum heb ik de Commissie Behoud Stadsschoon in Delft opgericht, was de eerste voorzitter en heb daar 7 jaar lang veel energie in gestopt: van 1978 tot 1985.

Ik was lid van het Landelijk Dagelijks Bestuur van de Stichting Nederlandsche Geluidshinder (NSG), van 1974 tot 1987.

Toen de woningbouw in Nederland totaal in de put zat, werd ik gevraagd in het Bestuur van de, van Rijkswege opgezette, Stichting Structuur Onderzoek Bouwnijverheid . Van 1974-1979 ben ik daarmee bezig geweest. Door het hoge politieke profiel van deze Stichting heeft zij jammer genoeg niet volledig het praktische effect kunnen bereiken dat bedoeld was.

Ook ben ik nog in Delft van 1984 tot 1987 bestuurslid geweest van Delfia Batavorum. Daarnaast heb ik nog in diverse andere besturen mijn steentje bijgedragen. Bijvoorbeeld van 1983-1986 als Bestuurslid van KOMO, van 1994-2003 als lid van de Stichting Samenwerkende Bond van Ouderen, Commissie Wonen en Zorg, Bestuurslid Stichting Samenwerkende Delftsche Ziekenhuizen (SSDZ), Bestuurslid Delftsche Gasthuis etc.

Opgetekend door Mr. H.V. van Walsum, Delft 2011

Willy Vos–de Koning overleed op 21 december 2012 in haar eigen woning.

Media:CV_WM_Vos_de_Koning.pdf Media:Ir.H.H.Vos_Jaarboek_Oud_Leiden.pdf Media:Stadspenning_voor_dhr_ir._H.H._Vos.pdf Media:Bijdrage_WikiDelft_Erelidmaatschap_Willy__en_Hen_Vos.pdf Media:Kwieke_oude_dame.pdf Media:Bouwen_aan_Kwaliteit.pdf Media:VAC_herinneringen.pdf Media:VAC_werk!_WM_Vos_de_Koning.pdf

Literatuur en bronnen

Jaarboek Historische vereniging Oud Leiden 1992
Delftse Post woensdag 8 september 2010
H.C. Meinsma, Bouwen aan Kwaliteit. Jubileumuitgave van het Landelijk Contact van de Vrouwen Advies Commissies voor de woningbouw, 1990
Woonkwaliteit (uitgave stichting VACpunt Wonen) nummer 3, mei/juni 2011, p. 10
Dat is pas VAC-werk! 65 jaar advies over woonkwaliteit (uitgave stichting VACpunt Wonen 2011), p. 41 en 65.

Persoonlijke instellingen
Home In het nieuws Over WikiDelft Thema's Hulp
Recherche avancée   
Critère 1      --
                        et   ou   sauf
Critère 2      --
                        et   ou   sauf
Critère 3      --
                        et   ou   sauf
Critère 4      --
                        et   ou   sauf
> Classer les r�sultats par  
lancer
Deze website maakt gebruik van cookies. Informatie over cookies